Geschiedenis

Ruim honderd jaar geleden jaagde een befaamde jager op grootwild in Rhodesië (nu Zimbabwe) met zijn meute honden. Zijn naam was Cornelis van Rooijen en zijn meute jachthonden bestond uit zeer uiteenlopende kruisingsproducten van de destijds algemeen voorkomende populaire Europese rassen. Van Rooijen wist door strenge selectie een jachthond te verkrijgen die bijzonder geschikt was voor het jagen onder de barre omstandigheden. Een hond die weinig gevoelig is voor de in ruime mate aanwezige parasieten, een hond die om weinig verzorging vraagt, een die niet overmatig veel voedsel nodig heeft, een die lang zonder water kan, een die zowel op zicht als ook met de neus jaagt, een die het kamp of de boerderij kan bewaken, een die behoorlijk snel kan lopen, wendbaar is en over de nodige spierkracht beschikt, een die over een groot uithoudingsvermogen beschikt. Sommige ervan waren voorzien van een dorsale kam of ridge, welke deze mutatie doorgaven aan het nageslacht. Van Rooijen’s honden stonden in die tijd bekend als: Leeuwhond, Boerhond, Van Rooijenhond, Rifrug, Kamrug en Steekbaard. De Pronkrug werd dus niet door Engelsen gekruist zoals het gedeelte ‘Rhodesisch’ doet vermoeden, het waren Boeren of pas geimmigreerde Nederlanders die de Pronkrug schiepen.